De specialist aan het woord

Een gesprek met Professor Egeler over LCH (interview uit 2008) Na zijn studie geneeskunde legde Maarten Egeler zich toe op de kindergeneeskunde. In 1993 promoveerde hij op de ziekte Langerhans Cell Histiocytosis (LCH) en verwante afwijkingen. Dat onderwerp heeft hem nooit meer losgelaten. Op dit moment is hij als hoogleraar verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum en wereldwijd dé specialist op het gebied van LCH. Zijn inspiratiebron in zijn eigen woorden: “Kinderen zijn het kostbaarste in het leven. Als kinderen ziek zijn is elke ouder ten einde raad. De ergste vorm van ziek zijn voor een kind is het hebben van kanker. Om in die tijden de helpende hand te kunnen geven met liefde, hoop, maar vooral expertise, is een voorrecht

De specialist aan het woord
Kunt u kort uiteenzetten wat LCH is, en hoe men de ziekte kan herkennen?
Langerhans Cel Histiocytose, de volledige naam van deze ziekte, is een woekering van cellen die wij allemaal in ons lichaam hebben, de Langerhans cellen. Deze cellen bevinden zich hoofdzakelijk in de huid, en een beetje in de longen en de darmen. Hun specifieke functie is om, laat ik zeggen, heel kleine afwijkingen, bijv. hele kleine ziektekiemen die wij antigenen noemen, aan hun cel te binden om vervolgens samen met deze antigenen zich te bewegen naar de lymfeklieren alwaar weer andere cellen deze ziektekiemen onschadelijk kunnen maken. Daarom zeg ik ook veelvuldig: eigenlijk zijn Langerhans cellen de poortwachters van ons lichaam. Als nu deze normale cel gaat woekeren, of wel zich gaat vermeerderen, lokaal of systemisch, dan spreken we van Langerhans Cel Histiocytose.

De ziekte kan men herkennen afhankelijk van waar de ziekte zich voordoet. Is de ziekte in de huid, dan zien we vaak een bruinig eczeem-achtige afwijking. Zit de ziekte in de botten, dan kunnen we zwakheden in de botten zien die wij lytische haarden noemen. Zit het in de lever of in de longen, of in het beenmerg, dan kunnen die organen vanwege de woekering van deze op dat moment abnormale cel, niet meer goed functioneren omdat er te weinig ruimte over is voor de normale cellen en dus voor de normale functie van dat specifieke orgaan. Met andere woorden: men kan de ziekte herkennen als men een afwijking vindt in een specifiek orgaan.

De symptomen zullen dan bevestigd moeten worden door een biopt (een stukje weefsel) onder de microscoop te leggen om met specifieke kleuringen te zien of dit inderdaad komt door een woekering van de thans abnormale Langerhans cel.

LCH wordt vaak vergeleken met Leukemie, kunt u dat uitleggen?
Om het voor het publiek makkelijk te maken zeg ik altijd dat LCH een neef of een achterneef is van leukemie. En daar bedoel ik mee: bij leukemie heb je een woekering van een cel, de leukocyt, die gemaakt wordt in het beenmerg. Bij LCH heb je de woekering van een Langerhans cel welke eveneens aangemaakt wordt in het beenmerg. Op die manier is er dus een overeenkomst.

Momenteel is het volledig duidelijk dat leukemie een kwaadaardige ziekte is, en dat is vaak gebaseerd op specifieke afwijkingen in het laboratorium, met name genetische afwijkingen. Tot dusver is dit niet hard gemaakt voor LCH. De discussie of het nu wel of geen kwaadaardige ziekte is, is dus nog steeds gaande. Voor mij zelf maakt dat niets uit, want dat is slechts een naam. Voor veel patiënten gedraagt de ziekte zich wel kwaadaardig, ofschoon het dan misschien in de volksmond geen kanker mag worden genoemd.

Is LCH al in het pre-natale stadium aanwezig, of ontwikkelt de aandoening zich later?
Het is moeilijk om hier met een ja of een nee op te antwoorden. Persoonlijk denk ik dat er voor bijna elke ziekte, en zo ook voor LCH, in de mens bij de geboorte al een genetisch bepaalde gevoeligheid is aangelegd. Zo weten wij dat in sommige families en bij sommige kinderen bijv. eczeem of astma veelvuldig voorkomt. Hier is dus een zekere “aanleg” anwezig. Bovendien spelen omgevingsfactoren zeer zeker een rol. Mensen wonend in een een vervuilde wereld hebben vaker luchtwegproblemen. Met andere woorden ziektes ontstaan gegeneraliseerd op een combinatie van genetische factoren (“gevoeligheid”) met omgevingsfactoren. Zelf denk ik dat dit voor LCH ook zo is. Zo zijn er patiënten die in hun derde levensjaar LCH in de huid of btten ontwikkelen. Na een adequate therapie is de ziekte verdwenen, maar dan komt op volwassen leeftijd de ziekte terug in bijvoorbeeld de long. Dit lijkt er op te wijzen dat er dus toch een genetische gevoeligheid aanwezig is. Dit is dan ook één van de zaken waar wij in ons laboratorium heel erg naar zoeken, want het zou natuurlijk de diagnose in het vervolg kunnen vergemakkelijken als je zou kunnen zeggen ‘door een specifiek onderzoek kun je genetisch bepalen dat iemand gevoelig is om LCH te ontwikkelen’.

Komt LCH vooral voor bij jonge kinderen, en heeft het meerdere gradaties?

De echte incidentie, met andere woorden hoe vaak LCH voorkomt, is moeilijk hard te maken. In Nederland, met 15-16 miljoen mensen, zijn er ongeveer 3 miljoen kinderen, en wij zien dat er toch 10-15 patiënten per jaar in de kindergeneeskunde worden gediagnosticeerd met LCH. Al deze kinderen worden gezien in een van de 8 academische ziekenhuizen van Nederland. Wij kunnen dus goed bepalen hoeveel er zijn. Op de volwassen leeftijd, waar ik denk dat er per jaar ook wel zo’n 10 tot 15 patiënten per jaar gediagnostiseerd worden, kan LCH ook voorkomen in de huid, in de botten of in de longen etc. Deze patiënten gaan echter niet allemaal naar academische ziekenhuizen, maar veelvuldig ook naar de lokale dermatoloog of de lokale orthopeed. Met andere woorden, door de verdunning is de incidentie op de volwassen leeftijd heel moeilijk in te schatten. Dit heeft tevens tot gevolg dat de specifieke kennis van LCH op de volwassen leeftijd verdund is, en dat deze vele jaren op de kindergeneeskunde achter loopt.

Specifieke subgroepen zijn er zeker, zo zien we dat LCH op de heel jonge leeftijd vaak het ernstigst is, en dat er dan veelvuldig een gegeneraliseerde vorm van LCH optreedt. In de tussenleeftijd, van 5-15 jaar, zien we veel kinderen met gelokaliseerde LCH, met name in de botten. En op de leeftijd van 20-30-40 jaar zien we LCH het meest in de longen, veelvuldig solitair, en soms met afwijkingen in huid en botten. Met andere woorden, er zijn duidelijk verschillende vormen. Onder de microscoop ziet de woekering van de Langerhans cel er echter hetzelfde uit.

Hoe groot is, bij de huidige stand van de wetenschap, de kans op genezing ?
Met verwijzing naar de vorige vraag, moge het duidelijk zijn dat als er slechts een botlaesie is, de kans op genezing 95-100% is. Echter als het een zuigeling betreft bij wie de ziekte in het beenmerg zit, is de overleving minder, soms slechts 70%. Bij heel oude mensen kan de ziekte fataal zijn vanwege bijkomende factoren. Met name de longen zijn organen die ernstig aangedaan kunnen worden, en als dat doorzet is dat lethaal. Echte getallen kunnen niet worden gegeven, daar het aantal patiënten dat met de meest optimale therapie in een centrum behandeld wordt, nog te onduidelijk is. Al met al denk ik dat de genezing 80-90% is. Maar wat is genezing ? Wij weten, ook door de familievereniging, dat er veel kinderen genezen zijn van hun LCH, maar dat ze wel te maken hebben met late gevolgen zoals diabetes insipidus, of te wel een hormonaal probleem, en soms ook met concentratiestoornissen of met andere centraal zenuwstelsel gerelateerde, problemen.

Is er in de medische wetenschappelijke kringen voldoende belangstelling voor onderzoek naar het ontstaan en de genezing van LCH ?
Voor iemand die zich specifiek richt op LCH is het antwoord op deze vraag ‘nee’. Echter, als men zich realiseert dat er wel 2000 of 3000 zeldzame ziekten zijn, moeten we roeien met de riemen die we hebben. Ik denk dat er 2 tot 4 laboratoria in de wereld zijn die zeer goed onderzoek doen. Dit zou voldoende kunnen zijn. Ik geloof in, laat ik het noemen ‘center of excellence’. Wat ik hiermee bedoel is, dat, als er in 3 plaatsen van de wereld laboratoria zijn die zich 100% van hun tijd bezighouden met onderzoek naar LCH, en als deze laboratoria ook nog zouden kunnen samenwerken zodat er zo min mogelijk overlap bestaat, we dan een heel eind komen. Ik denk eigenlijk dat door de familieverenigingen, met name door de familieverenigingen in de VS, dit wel een beetje bestaat. Ik ben dan ook zeer verheugd over de ontwikkelingen in het onderzoek van de laatste 20 jaar. Twintig jaar geleden was dit de meest onbekende ziekte die je je maar kunt voorstellen. Door samenwerking en onderzoek weten we al veel meer, en er zijn internationale afspraken over hoe je de diagnose moet stellen en wat de therapie moet zijn. Nu moet dat nog worden doorgetrokken naar de ontstaanswijze.

Een van uw uitspraken is, dat LCH nog één grote puzzel is, waarvan slechts de randen zijn ingevuld. Hoe kijkt u aan tegen de vorderingen die in de nabije toekomst gemaakt zullen worden om de puzzelstukken op hun plaats te laten vallen?
Inderdaad noem ik LCH een grote puzzel, waarvan de randen zijn ingevuld. Ik geef echter ook altijd aan dat er al hier en daar stukjes van de puzzel zichtbaar zijn. Ik denk dat met het onderzoek dat wij in de laatste 10 jaar gegenereerd hebben, er heel duidelijk meerdere aspecten van LCH goed in kaart (lees puzzel) gebracht zijn. Zoals eenieder weet hoop ik de puzzel af te hebben voor mijn 65e, dus nog 14 jaar te gaan. Mocht dit dan niet het geval zijn, dan zal ik zorgen dat iemand anders het stokje zal kunnen overnemen.

Een belangrijk gegeven is dat de financiële middelen onvoldoende zijn om het wetenschappelijk onderzoek gericht op LCH te intensiveren. Wat is hiervan de oorzaak?
Ja, dan kom ik toch weer terug op de eerdere vragen: het blijft een zeldzame ziekte, en met 2000 of 3000 de zeldzame ziekten moet het geld verdeeld worden. Ik denk met de hulp van met name de familievereniging in Amerika, er een ongelooflijke boost is geweest in het onderzoek op het gebied van de LCH in de laatste 10-20 jaar. Ik ben dan ook niet ontevreden, maar ik streef altijd naar verbetering. En verbetering zou zijn dat de eerder genoemde 3 ‘center of excellence’ de financiële mogelijkheden krijgen om de komende 5 jaar 2-3 mensen voor 100% van hun tijd op deze ziekte te zetten, en dat alle andere centra in de wereld materiaal van aangedaan weefsel zouden insturen naar deze specifieke centra om zo goed, gericht en specifiek mogelijk onderzoek naar de ontstaanswijze van LCH te doen.

In het LUMC wordt onder uw leiding aan wetenschappelijk onderzoek gedaan. Kunt u wat vertellen over inhoud en aanpak en hoe dit wordt gefinancierd?
Door allerlei omstandigheden ben ik in de gelegenheid samen te werken met een excellente post-doctoral fellow, dat wil zeggen, iemand die al langere tijd werkzaam is in het onderzoek. Dr. Nicola Annels besteedt zo’n 30-40% van haar tijd in het laboratorium specifiek aan LCH. Met haar fundamentele kennis van onderzoek van immunologie, is zij een essentiële schakel in ons LCH werk. Zij wordt betaald uit andere potjes dan LCH. Naast dr.Annels hebben wij momenteel een laborante die gekoppeld is aan het werk van dr. Annels, en die veel van de praktische zaken in het laboratorium uitvoert. Deze laborante, Manja Hogenboom, is bovendien zeer geïnteresseerd en kundig, en wij zijn erg blij met haar. Daarnaast hebben wij momenteel één promovendus hier in Leiden. Christiana Costa, die zich 100% van haar tijd richt op LCH, en die gefinancierd wordt door een beurs vanuit Portugal, is een Portugese en wil in 4 jaar tijd 4-5 delen van de LCH puzzel ontrafelen, en dat publiceren in verschillende artikelen. Op deze manier kunnen wij onze kennis delen met andere mensen binnen de medische wetenschap. Naast deze mensen in Leiden werkt momenteel Anjali Bechan bij prof Arceci in het John Hopkins Medical Center te Baltimore. Zij is aldaar eveneens begonnen met een promotie onderzoek. Dit zal binnenkort zijn voortgang vinden in ons eigen laboratorium. Momenteel wordt zij gefinancierd vanuit Baltimore.

In de laatste jaren zijn wij er veelvuldig in geslaagd om geld te krijgen van de Amerikaanse familievereniging. Ik heb het dan over twintig- tot dertigduizend Euro op jaarbasis. Het financieel onderhouden van de huidige onderzoeksgroep kost mij op jaarbasis ongeveer €120.000. Dus u zult begrijpen dat de financiering niet voldoende is. Vanwege mijn grote interesse en mijn verbondenheid met LCH, probeer ik echter de mogelijkheden zo gunstig mogelijk te benutten. Ik ben er dan ook trots op dat wij de grootste LCH-onderzoeksgroep in de wereld hebben en dat wij aan de wieg hebben gestaan van minstens 50% van de ontwikkelingen in de kennis in de laatste 10 jaar.

Hoe groot is het minimale budget waarover u moet kunnen beschikken om het wetenschappelijk onderzoek in het LUMC succesvol op het huidige niveau te continueren?
Eigenlijk volgt dat op de vorige vraag. Ik zou zelf heel graag een zekere toekomst hebben voor het LCH-onderzoek. Ik weet dat dit met een uitgave patroon van € 100- tot 120.000 op jaarbasis en een inkomen van € 30- tot 50.000 niet haalbaar is. Met € 300.000 kunnen wij het opnieuw 3, misschien 4 of 5 jaar uithouden, indien we succesvol blijven met het binnenhalen via andere bronnen. Daarom denk ik dat het huidige streven zou moeten zijn naar € 300.000.

Als u met betrekking tot de mogelijkheden van wetenschappelijk onderzoek een wens mocht doen, hoe zou deze wens dan luiden?
Dit is misschien wel de meest simpele vraag, daar mijn enige wens zou zijn om de ontstaanswijze van LCH volledig uitgepuzzeld te hebben, waardoor het duidelijk zou zijn dat er een hele goede rationale is hoe je de ziekte zou moeten behandelen. Mijn streven en mijn hoop is, dat er nooit meer kinderen ernstig zullen lijden aan deze ziekte. Dit zou kunnen als we precies weten wat er gaande is.

BLIJF OP DE HOOGTE

Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Zoeken
Facebook
Twitter
YouTube
ONZE SPONSORS